Lisette en Ed

Inventiviteit, empathie en geduld zijn onmisbaar als mentor

Ed is sinds acht jaar mentor bij Mentorschap Haag en Rijn. Als mentor staat hij drie volwassenen met lichamelijke en verstandelijke beperkingen met raad en daad bij. Toen Ed met pensioen ging zocht hij naar een zinvolle en plezierige invulling van zijn tijd. Tijdens de lange fietstochten die hij maakte, had hij ruimschoots de tijd om hier over na te denken. ‘Ik kwam tot de slotsom dat ik iets terug wilde doen voor het feit dat het leven mij voornamelijk had toegelachen. Omdat ik graag help, koos ik voor een activiteit waarin ik die behulpzaamheid in de praktijk kon brengen. Dat werd het mentorschap. Ik ben blij dat ik deze keuze gemaakt heb. Ik geef, maar ik krijg er ook warmte en dankbaarheid voor terug.’

Hoe start je als mentor?
Als startende mentor volg je de basiscursus, georganiseerd door de Stichting Mentorschap. Dan word je al snel duidelijk of het mentorschap iets voor je is. Vervolgens maak je kennis met je eerste beoogde cliënt. Ed werd uiteindelijk mentor van drie cliënten van ’s-Heeren Loo in Monster. ‘Het was mij al snel duidelijk dat elkaar goed leren kennen en elkaar leren waarderen een belangrijk aspect van het mentorschap is. Hierdoor kun je makkelijker samen beslissingen nemen. Daarbij is het hebben van enige inventiviteit, empathie en geduld wel handig. Gelukkig sta je er tijdens het mentorschap niet alleen voor. Persoonlijk begeleiders, medisch personeel, gedragswetenschappers en therapeuten binnen de instelling zoeken graag in samenspraak met de mentor passende oplossingen voor problemen. Ook vanuit Stichting Mentorschap krijg je hulp en begeleiding.’

Wat doe je als mentor?
‘Ik bezoek mijn cliënten wekelijks. Een van mijn cliënten is Lisette, een vrouw van in de zeventig, met zowel lichamelijke als verstandelijke beperkingen. In het begin was het echt wennen. Lisette praatte honderduit, maar was voor mij niet goed te verstaan. Ze wilde ook alleen maar op het instellingsterrein blijven, om daar met mij te praten. Gelukkig ging ik haar steeds beter verstaan, naarmate ik haar beter leerde kennen. Lisette wil nu ook, na enige sturing, erop uit en dingen doen. En natuurlijk nog steeds veel praten. Een hele winst! Het is voor haar, bij slecht weer, een grote teleurstelling als het uitje met de rolstoelfiets niet door gaat.

Een ritje met de rolstoelfiets brengt ons soms naar een Haags Ziekenhuis. Lisette is namelijk helemaal verslingerd aan het fenomeen arts en alles wat met deze medische professie samenhangt. Daar gaan we met Lisette in de rolstoel, die daarvoor van de elektrische fiets is losgekoppeld, de verschillende afdelingen langs. Zij heeft het dan ontzettend naar haar zin. Ze verzamelt allerlei folders over de meest uiteenlopende ziekten en behandelingen. Een gesprekje met iemand in een witte jas is ook geen uitzondering. Daarna volgt de traktatie van gebak met koffie en het kopen van een cadeautje in de ziekenhuiswinkel. Weer een andere keer gaan we op pad naar een kringloopwinkel om koopjes op de kop te tikken, naar het graf van haar ouders of naar de Boulevard van Scheveningen of Kijkduin.

Wat brengt het mentorschap ons?
‘Lisette is mij voor mijn inzet oprecht dankbaar. Ze zegt dit niet alleen tegen mij, maar ze krijgt ook steeds meer empathie. Als blijk van dank voor mijn aandacht voor haar geeft ze mij regelmatig kleurplaten voor mijn kleinkinderen mee. Ik vind het heel leuk om te ervaren dat Lisette op dit gebied zo gegroeid is. Als we een paar jaar geleden iets lekkers bij de Spar op het terrein voor haar hadden gekocht, was het niet bij haar opgekomen om daarvan ook iets aan mij aan te bieden. Tegenwoordig als we iets kopen is haar eerste vraag: wil jij niets hebben? Zo zie ik toch een kleine geestelijke groei en dat is voor mij voldoende om na een week weer bij haar langs te gaan en samen iets te doen. Door de bijna wekelijkse bezoeken is er ook een vertrouwensrelatie ontstaan. Dit uit zich in vertrouwelijke gesprekken, bijvoorbeeld over de dood en het aan mij vragen van ondersteuning bij voor haar spannende zaken, zoals het kiezen voor een gebitsprothese of niet.’

‘Kortom:  Ik ben blij dat ik voor het mentorschap heb gekozen en hoop nog lang voor deze drie mensen iets te kunnen betekenen. Als de helft van de wereldbevolking ervoor kiest om een persoon te ondersteunen, zou de wereld er voor iedereen een stuk beter uitzien!’

Geduld

“Zo snel mogelijk.” Hij kijkt mij doordringend aan.

“Echt. Ik wil hier geen dag langer wonen. Ga jij het voor mij regelen?”

“Zo snel kan dat niet Koen. Maar we kunnen de komende maanden eens kijken wat er mogelijk is.”

Die avond lees ik mij uren in op de websites van zorginstellingen voor mensen met een verstandelijke beperking. De wachttijden zijn lang. Ik vergelijk de aangeboden zorg met de zorg die hij nu krijgt. Besluit hier volgende week op terug te komen zodat we het er rustig over kunnen hebben en hij alle informatie kan laten bezinken.

Dat geduld heeft hij echter niet.

‘Weet je al wanneer ik kan verhuizen?’ De volgende ochtend word ik gewekt met dit appje. Ik slaak een zucht. Besef dat dit het begin zal zijn van de zoveelste onrustige periode van mijn cliënt.

“Goedemorgen Koen. Ik heb er gister het een en ander over uitgezocht maar we moeten eerst een inschrijfformulier opvragen. Dat kan een paar weken duren.”

“Oké. Laat maar weten wanneer ik kan verhuizen.”

Ik probeer tot tien te tellen maar het valt niet mee. Koen is nogal ongeduldig en verwacht van mij, zijn mentor, dat ik het wel even regel.

De volgende dag stuurt hij mij zesentwintig appjes, waarvan achttien foto’s. Hij is op zijn fiets van Delft naar Den Haag gegaan. Hij stuurt foto’s van woningen die hem wel geschikt lijken.

“Dit huis staat leeg. Wil jij die baas even bellen en zeggen dat ik morgen wel kan komen kijken?”

Ik kalmeer hem. Leg weer uit dat het meer tijd kost. Dat hij iets heel graag kan willen maar dat het daardoor niet sneller geregeld kan worden. We vullen samen het inschrijfformulier in en krijgen, voor hem een lange week later, te horen dat hij mag komen voor een intake gesprek.

Vandaag is de dag. Ik haal hem op. Samen rijden we er met mijn auto naartoe. Zodra hij instapt zie ik de spanning op zijn gezicht.

“Gaat ’t met je, Koen?”

“Ja, ik heb een beetje hard gewerkt. Ben een beetje moe.”

“Wat heb je dan gedaan?”

“Mijn spullen gepakt. Alles staat klaar. Ik ben benieuwd in welk huisje ik kan wonen. Dat horen we toch straks?”

Ik adem langzaam uit. Tel weer tot tien en parkeer mijn auto langs de kant. Voor de zoveelste keer moet ik hem als mentor rustig uitleggen wat geduld hebben is. Weer zal ik hem even teleurstellen en alle stappen aan hem uitleggen. Hij zal antwoorden dat hij het begrijpt en vervolgens zal blijken dat hij dat toch niet doet.

Het geeft niet. Ook dát is mentorschap. Steeds weer herhalen en tot tien tellen. Geduld hebben. Ook dát hoort bij Koen en inmiddels dus ook bij mij.

Carlijn

(Sinds december 2020 mentor van Koen)