Zo fijn om eindelijk weer te knuffelen

Haar hoofd om de hoek van de deur.

“Jaaaaaaaa. Je bent er weer!”

Ze grijpt naar haar rollator. Stormt haar slaapkamer uit. Achter de rollator rent ze de gezamenlijke woonkamer van het Westerhonk in. Remt vlak voor mijn voeten.

“Je bent er weer!!!!!!” Roept ze nogmaals. Keihard. Terwijl ze mij met een glimlach van oor tot oor aankijkt. Ze knippert driftig met haar ogen. Ondanks haar verstandelijke beperking heeft ze een schattig gezicht.

“Hoi Wendy. Wat begroet je mij enthousiast. Hoe gaat het met je?”

“Niet goed!!!!” Gilt ze door de kamer. “Echt niet zo goed!”

Haar gezichtsuitdrukking vertrekt van blij naar verwrongen en verdrietig.

Ze spreidt haar armen. Buigt voorover over haar rollator heen. Staat onhandig te wiebelen op haar dunne onstabiele beentjes.

“Ik wil jou zo graag knuffelen Carlijn!”

Daar staat ze. Te wachten. Met open armen.

“Sorry Wendy. Ik wil dat ook heel graag maar het mag niet door de Corona.”

“Maar ik mis jou zo!!!!” Ze blijft gillen. “Zo erg! En je komt ook nooit voor mij!”

Ze heeft gelijk. Ik kom niet voor haar. Ik ben de mentor van Suus maar de medebewoners van Suus willen inmiddels dat ik ook een beetje voor hun kom. Ze willen ook eens mee in mijn auto. M&M’s of een onverwachts kaartje in de brievenus. Wendy liet nooit zo blijken dat ze iets van mij wilde. Ze begroette mij amper. Negeerde mijn binnenkomst totaal. Tot vandaag.

Zie haar staan. Nog steeds met wijd gespreide armen. Wachtend op mijn knuffel.

“Ik vind jou zo lief Carlijn. Knuffel mijn nou Carlijn! Alsjeblieft.”

En dan doe ik wat niet mag. Snel reken ik terug. De afgelopen negen dagen heb ik niemand anders gezien dan mijn partner. Ik heb geen klachten. Ik check nogmaals mijn mondkapje. Wrijf mijn handen in met desinfectie. Neem een grote hap zuurstof, houd mijn adem in en zet een stap in haar anderhalve meter zone. Als een klein kind klauwt ze zich in mij vast. Slaat haar armen om mij heen. Lijkt nooit meer los te willen laten.

“Wendy. Laat maar los meisje.” Zeg ik zachtjes.

Plotseling praat ze fluisterend in mijn nek. Heel zachtjes.

“Nee.” Zegt ze. “Nee Carlijn. Nog heel even alsjeblieft. Het is zo fijn. Zo fijn.”

Ik sta als versteend. Wat is het onwennig maar heerlijk om na al die maanden weer een knuffel te geven. Ik voel mijn tranen branden. Geniet intens. Ze heeft gelijk. Wat is het fijn. Zó ontzettend fijn.

Carlijn Willemstijn

www.inlevendenlijve.blog

Shanta en Nel

Het mentorschap is een verrijking van mijn leven

Shanta Permentier uit ’s-Gravenzande is sinds 2,5 jaar mentor van Nel. Nel is een vrolijke dame van 62 jaar, met het verstandelijk vermogen van een jong kind. In het dagelijks leven is Shanta werkzaam als schuldhulpverlener bij het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Shanta: ‘Ik ben gestart met het mentorschap, omdat ik iets wilde doen met meer persoonlijke aandacht voor de cliënt.’

‘Nel kan niet goed communiceren, maar simpele dingen begrijpt ze wel. Wat ik heel leuk vind, is dat haar woordenschat groter is geworden sinds ik haar mentor ben. Nel is heel leergierig en heeft een uitgesproken mening. Als ze iets niet leuk vindt dan geeft ze dat goed aan. Soms zegt ze bijvoorbeeld dat ze koffie wil drinken en die haal ik dan. Maar dan heeft ze zich bedacht en maakt dit kenbaar door een zwieper aan de beker te geven. Aan dit gedrag moest ik wel wennen. Maar meestal is ze heel lief en vrolijk en ze kent mij inmiddels goed. Ze herkent me al aan mijn voetstappen. Als ze die hoort pakt ze gelijk haar schoenen en haar jas. Als het even kan gaan we autorijden, want dat doet ze het liefst.’

Shanta bezoekt Nel en de andere bewoners in de instelling graag. ‘Ze herkennen me allemaal en zijn altijd blij als ik kom. Het zijn hele gezellige mensen, die blij zijn met kleine dingen. Ook vind ik het een uitdaging om voor optimale zorg voor mijn cliënt te zorgen. Ik ben haar spreekbuis en moet ervoor zorgen dat dingen goed geregeld zijn en dat doe ik naar eer en geweten. Gelukkig hoef ik niet alles zelf te beslissen. Ik doe dit in overleg met de begeleiders, de artsen en andere deskundigen, zoals bijvoorbeeld het regelen van de uitvaart of het donorcodicil.’

‘Ik vind het mentorschap een verrijking van mijn leven. Het is heel goed om te ontdekken dat er meer is in het leven dan alleen werken, sporten en reizen. En dat er mensen zijn voor wie dit allemaal niet vanzelfsprekend is. Het is fijn om iets voor iemand anders te betekenen en je leert zelf ook weer van alles.’

Na een ferme handdruk zei hij: ‘Jij mag mijn mentor zijn’

Na 23 jaar werken in de ggz miste Hans Mondeel tijdens zijn pensioen toch een beetje het dragen van verantwoordelijkheid. Daarom meldde hij zich aan bij Stichting Mentorschap. Hans: ‘Ik werd al snel gekoppeld aan Gerard, die op dat moment op de crisisafdeling van een ggz-kliniek verbleef. Hij had op zijn woonadres nogal wat overlast veroorzaakt. We maakten kennis. Gerard vond dat hij geen mentor nodig had. ‘Ik ben niet gestoord of zo!’ Maar na drie bezoeken kreeg ik ineens een ferme handdruk van hem: ‘Jij mag mijn mentor zijn.’ Sindsdien bezoek ik hem één keer in de twee weken. Kort daarna werd Gerard uit huis gezet en kwam hij terecht in een kliniek voor langdurende zorg.

Tijdens een van mijn bezoeken staat Gerard midden in zijn kamer met gebalde vuisten: ‘Ze willen me kapot maken! ’ Ik vraag wat er gebeurd is. ‘Ze willen mijn bloed.’ Van de verpleging had ik al gehoord dat Gerard pertinent weigert bloed te laten afnemen. Ook die ochtend weer. Bij een behandelplanbespreking had ik aangegeven dat Gerard klaagt dat hij geen erectie meer krijgt door het depot dat men hem toedient. Wat hij eerder oraal gebruikte had die bijwerking niet. Wegens medicatieontrouw kreeg hij dit depot. Omdat het al een tijd goed met Gerard gaat, vond de psychiater het prima het eerdere medicijn weer te gaan gebruiken. Hiervoor zijn wel regelmatig bloedonderzoeken nodig. Gerard stemde hier mee in én met het trouw innemen van de pillen.

Als Gerard lijkt uitgeraasd herinner ik hem aan de afspraken. Hij richt nu zijn boosheid op mij. Ik zeg dat ik maar beter kan gaan, maar dat ik nog even bij de verpleegpost wil vragen wat er aan de hand is bij die bloedafname. Tot mijn verrassing loopt Gerard mee. Op de verpleegpost staat een schaal met koeken. Schalks neemt Gerard er een. De aanwezige verpleegkundige lacht en zegt: ’Dat gaat er wel in. Neem er nog een!’ Ineens is het ijs gebroken en de woede bekoeld. Dan blijkt dat niet de bloedafname het punt is, maar het tijdstip waarop dat gebeurt. We spreken af het voortaan op een ander tijdstip te doen en het probleem is opgelost.

Sinds kort is er naast drinken en drugs iets nieuws in het leven van Gerard: zijn oude gitaar. Zijn broer bracht die een keer voor hem mee. Er zaten nog maar drie snaren op en er mankeerde nog wel meer aan. Tot mijn verrassing bleek Gerard daar toch zingend  ‘Let it be’ van de Beatles op te kunnen spelen. Ik vond iemand die de gitaar opknapte. Bij onze eerste kennismaking had ik nooit kunnen denken dat Gerard en ik nog eens, samen zittend op zijn bed, ‘All you need is love’ zouden zingen.

‘Een mooie opdracht om uit te mogen voeren’

Direct na zijn pensionering meldde Paul Goud zich bij de stichting Mentorschap Haag & Rijn aan als mentor. ‘Om vooral maatschappelijk zinvol bezig te blijven’, was en is zijn drijfveer, alweer zo’n negen  jaar inmiddels.

Na vier cursusavonden werd hij gecertificeerd mentor van zijn eerste cliënt. Een man van in de dertig, die zwaar lichamelijk en verstandelijk gehandicapt was en emotioneel en sociaal op het niveau van een baby functioneerde. Paul: ‘Ik zag het als een uitdaging iets voor hem te betekenen. Communicatie was onmogelijk. Mijn rol was vooral waarnemen hoe het met hem ging en veel contact met de begeleiding/verzorging. Mijn inbreng werd altijd serieus genomen en gewaardeerd. Samen werkten we intensief aan een voor mijn cliënt nieuwe benadering van begeleiding en wonen. Triest genoeg heeft hij er geen profijt van gehad: net toen een begin werd gemaakt met de invoering overleed hij plotseling.’

Op dit moment is Paul mentor van vier cliënten: twee hoogbejaarde dementerende vrouwen en twee mannen van in de vijftig met autistische stoornissen. Hij bezoekt ze gemiddeld twee keer per maand. Met koffie en een praatje doet hij een goede indruk op hoe ze in hun vel zitten. Aangevuld met informatie van de begeleiding en het dossier kan hij prima zijn rol vervullen: ervoor zorgen dat  welzijn, verzorging en begeleiding optimaal zijn, overeenkomstig de afspraken in het zorgplan. Zijn bevindingen rapporteert hij na thuiskomst direct in zijn mentorschapsdossier. ‘Als er verder niets bijzonders speelt, dan ben ik maandelijks per cliënt gemiddeld zo’n 3 à 4 uur in de weer’, is de schatting van Paul.

Belangrijke beslissingen zijn de vaststelling van het zorgplan, wijziging in medicatie of woonsituatie. De financiën behoren niet tot de taak van de mentor, daar gaat een bewindvoerder over, met wie contact is als bepaalde uitgaven nodig zijn.

‘Heel vaak krijg ik van mijn omgeving de vraag wat er nou zo leuk is aan het mentorschap. Dan zeg ik dat ‘leuk’ niet het goede woord is. Ik praat liever over de voldoening om een mooie opdracht te mogen uitvoeren voor bijzondere mensen, die door beperkingen niet voor zichzelf kunnen opkomen.’